Te Nesse

Ligging Ten zuiden van het riviertje de Linschoten, iets ten westen van de huidige rondweg om Linschoten. Het stond tegenover het punt waar de Liefhovendijk op de Noord-Linschotendijk uitkwam. Het nog door sloten omsloten terrein bevindt zich schuin achter de boerderij aan de Engherzandweg nr. 42.

Tekening van Jan de Beijer uit 1744

Ontstaan Het huis werd omstreeks 1337 gebouwd.
Geschiedenis In het grafelijk leenregister komen we in 1337 een kwijtschelding tegen van 400 pond, die de Graaf van Holland schuldig was aan Willem van Montfoort, een broer van de toenmalige burggraaf Hendrik II de Rover van Montfoort. Hoewel dit niet uit de leenakte blijkt, heeft Willem mogelijk een stuk grond aan de graaf in eigendom gegeven en als tegenprestatie voor de kwijtschelding mocht hij op dit stuk land een kasteel laten bouwen en vervolgens in leen gegeven. Deze gang van zaken waren we eerder ook al tegen gekomen bij kasteel Heulestein.
Willem van Montfoort, die trouwde met Catharina van Wulven, sneuvelt acht jaar later tijdens de slag bij Warns. Deze strijd van de Hollanders tegen de Friezen leverde een grote nederlaag voor de Hollanders op; drie familieleden van het geslacht De Rovere sneuvelde en een vierde kwam zwaar gewond terug. Ter herinnering werd de beroemde 14e-eeuwse memorietafel van de heren van Montfoort gemaakt.

Willem wordt opgevolgd door zijn zoon Zweder, die zich Van de Nes gaat noemen. In 1352 neemt Zweder enkele Utrechtse burgers gevangen nam. De reden ervan is mij onbekend, maar had wel tot gevolg, dat drie broers van hem, Floris, Alfer en Hendrik, enige tijd te Utrecht gevangen hebben gezeten. Omdat Zweder familie was van de burggraven van Montfoort, volgde hij hun politieke lijn. Als in 1353 de burggraaf van Montfoort door de bisschop gedwongen wordt zich aan zijn gezag te onderwerpen, wordt dit ook afgedwongen van Zweder van de Nes en zijn broer Alfer. Zweder, als leenman van de Graaf van Holland, blijft echter wel zijn verplichtingen betreffende het huis Te Nesse nakomen.
Tijdens de oorlog tussen Holland en het Sticht (1355-1356) koos de burggraaf van Montfoort de zijde van de bisschop. Zweder wilde dit voorbeeld volgen, maar het gevolg was dat graaf Willem V hem dwong het kasteel aan hem over te leveren. De graaf geeft het kasteel dan aan Gerrit van Egmond, baljuw van Woerden. Als op 19 maart 1356 er een vredesverdrag gesloten wordt tussen burggraaf Zweder II van Montfoort en graaf Willem V, krijgt Zweder van de Nes het zijn kasteel weer terug. Lang heeft hij er niet meer van kunnen genieten, want hij sterft nog datzelfde jaar. Het leen valt terug aan de graaf en deze beleent dan zijn bastaardoom Jan Aalman met Te Nesse. Omdat Jan Aalman baljuw van Henegouwen is, verblijft hij in Valenciennes, waar 23 jaar later, in 1389 sterft.

In de periode 1389 tot 1410 wordt het kasteel door de graaf in beheer gegeven aan de rentmeesters van Woerden. In de periode 1391-1404 komen we Hendrik Jansz. van Oosterland uit het geslacht Van Reimerswaal als beheerder tegen en in de periode 1394-1395 ook Arend van Schonouwen.
In deze periode wordt er hard aan gewerkt om het kasteel weer een militaire functie te geven. In 1391 wordt er door negen personen gedurende ca. drie weken hard gegraven om de grachten weer voldoende diepte te geven. Er worden donderbussen, kruit en bogen aangeschaft en in het kasteel worden er nieuwe vertrekken afgetimmerd en veertien bedsteden gemaakt. Op het kasteel verbleven twaalf of dertien soldaten, maar dit aantal werd soms uitgebreid tot vijfentwintig. Ook waren er een portier en wachter aanwezig, die door de graaf betaald werden.
Om het kasteel nog meer zelfvoorzienend te maken werden er in 1401 rond het kasteel 600 jonge boompjes geplant om voldoende fruit en hout te hebben.

Na deze rentmeesters-periode wordt kasteel te Nesse in 1410 met 22 van de 41,5 morgen land in leen gegeven aan Jan van Gommengies. Zijn achternaam wordt ook geschreven als Goumigniez of Gourmengiez en hij is een buitenechtelijke zoon, maar ik weet alleen niet van wie. Hij wordt na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Jan II. Een broer van hem, met de naam Willem wil het kasteel overdragen aan burggraaf Jan van Montfoort. Hiertoe stelt hij een concept-akte op met voorwaarden, maar de overdracht heeft echter nooit plaatsgehad. Jan II sterft in 1494 en het kasteel vererft op zijn twee zoons Jan en Willem van de Nes ‘alias Gommengies’ en zij dragen het huis over aan Jacob de Barry.
Jacob wordt met het kasteel beleend in verband met zijn trouwe diensten als secretaris van de Maximiliaan I, koning van het Heilige Roomse Rijk. Hij sterft zes jaar later en omdat zijn zoon, die ambachtsheer van Kromstrijen en commissaris van de Rekenkamer in Holland was, al overleden is, erft zijn kleinzoon Pieter van Barry, die het kasteel overdraagt aan zijn broer Jacob, die het kasteel zes jaar later weer overdraagt aan Geertruida Dirck Pouwelszoonsdr., lid van een Amsterdamse regentenfamilie.

Deze familie gaat zich naar het kasteel "van Tenesse" noemen en gebruikt het kasteel gedurende meer dan vijftig jaar als een buitenverblijf. De kleinzoon van Geertruida, Mr. Gijsbert van Tenesse, sterft nadat hij 22 jaar eigenaar is geweest in 1614 en het kasteel vererft op zijn nicht Johanna van Duiveland. Zij is getrouwd met Dirk van der Nath, waarmee het kasteel in de familie "van der Nath" komt.
Deze familie beschikte naast Te Nesse ook over huizen in Leiden, Haarlem, Voorschoten, Amstelveen en Utrecht. In Utrecht beschikten ze over het huis Klein Lepelenburg, van waaruit ze het beheer hadden over de Bruntskameren. Hierdoor werd het kasteel de eerste jaren alleen als zomerverblijf gebruikt, maar vanaf 1640 wordt het permanent bewoond. In dat jaar sterft Johanna van Duiveland en wordt opgevolgd door haar zoon Leendert, die 65 jaar op het kasteel woont. Samen met zijn broers Gerrit en Dirk worden ze in 1655 benoemd tot rijksgraven door de Duitse keizer Ferdinand III, vanwege hun trouw aan de Roomse kerk.

Dan volgt het Rampjaar 1672, maar gelukkig blijft het kasteel, op plundering na, behouden. De oorzaak hiervan lag waarschijnlijk in het feit dat de eigenaar Rooms-Katholiek was. Wel was er sprake van chantage. Door de graven Van Hoorn en De Merode, die in Staatse dienst streden, werd beweerd dat er vanuit het kasteel op hun manschappen zou zijn geschoten. Jan van der Nath, jonge zoon van de toenmalige eigenaar Leendert, werd gedwongen een schuldbekentenis te tekenen van 1500 dukaten, anders zou het kasteel worden opgeblazen.
De laatste bewoner, Leonard van de Nath, verkoopt het kasteel in 1747 aan de Staten van Holland en West-Friesland, maar mag er wel blijven wonen tot zijn dood in 1756. Een jaar later wordt het huis gesloopt en het omliggende terrein afgegraven. Hiermee komt er een einde aan een fraai kasteel, dat overigens alleen geen militaire functie vervulde
Bouwgeschiedenis Na de Tweede Wereldoorlog wil de toenmalige eigenaar de stenen van de fundering gebruiken voor het herstel van het Huis te Harmelen. In 1948 wordt er dan door de Monumentenzorg een onderzoek ingesteld. Dan blijkt dat de meeste funderingen, ook van de binnenmuren, verdwenen zijn. Hierdoor was het onmogelijk om enig inzicht te krijgen in de bouwgeschiedenis van het kasteel. Wel kon nog worden vastgesteld dat het kasteel van oorsprong een elfhoekige vorm had met een doorsnee van ca. 20 m. Dit was een verrassing, want rond 1340 werden er geen meerhoekige kastelen meer gebouwd. De reden dat het kasteel deze vorm had, is waarschijnlijk de aanwezigheid van een bult in het terrein, waar het kasteel omheen gebouwd werd. De elf zijden van het kasteel hadden een lengte van vijf tot acht meter. Of er gebruik werd gemaakt van steunberen en waar zich gebouwen aan de binnenzijde van het kasteel bevonden, kon allemaal niet meer vastgesteld worden. Alleen werd er binnen de oostmuur een waterput terug gevonden. Ter versteviging van het kasteel was er geen gebuik gemaakt van heipalen, maar het kasteel had men op zware planken opgebouwd.
Aan de oostzijde van het kasteel bevond zich de kortste muur van slechts vijf meter. Het vermoeden bestaat dat dit met opzet gedaan heeft en dat zich hier de ingang van het kasteel bevond. Tegenover deze ingang bevond zich dan de voorburcht. In 1391 bevonden zich hier een boerderij, een varkensschuur, een schapenstal en enkele hooibergen, die alle met riet gedekt waren. Het kasteel was omgeven door een gracht en om het kasteel en de voorburcht samen was een tweede gracht aangebracht.

In de periode 1399 - 1401 komen we in een rentmeestersrekening voor het eerst de een "poorthuis" tegen. Deze werd waarschijnlijk een aantal jaar na de bouw van het kasteel tegen de eerder genoemde kortste zijde van het kasteel aangebouwd. De funderingen van deze toren zijn teruggevonden en deze was 6,7 bij 3,9 m groot en had muren met een dikte van 1,4 m.
Bij de opgraving van 1948 wordt er aan de achterzijde (westzijde) van het kasteel een rechte muur opgegraven. Deze muur had echter geen hoekpunten meer en daarmee kon de verbinding met het oorspronkelijke kasteel niet worden bepaald. Maar het vermoeden bestaat dat deze muur een onderdeel is geweest om het kasteel een meer rechthoekige vorm te geven. Door deze muur werden vier hoeken 'weggewerkt'. Daarna werd het kasteel aan de noordzijde, rechts van de ingang, verbouwd. Hier werd een vleugel van ca. 10,7 x 8 m gebouwd met muren van 80 tot 100 cm dik. In dit gebouw bevond zich waarschijnlijk de 'saele' en was er ook een privaat aangebracht.

Een deel van het kasteel stortte rond 1400 in. Twee werklieden waren alleen al elf dagen bezig om alle stenen uit de gracht te verwijderen. Mogelijk is de muur die instortte een onderdeel geweest van de laatste aanbouw. Deze aanbouw was gedeeltelijk in de eerdere gracht gebouwd. Voor het herstel werden 36.000 stenen in Oudewater besteld. De nieuwe muur kreeg nu maar een dikte van 65 cm, maar werd wel extra verstevigd door het gebruik van muurpijlers.
Het poortgebouw werd tegen het einde van de 16e eeuw verbouwd. De ingang kreeg een omlijsting van grote blokken en er kwamen vensters met ontlastingsbogen. Deze verbouwing vond plaats toen de familie Van Tenesse eigenaar was. Toen de Van der Naths eigenaar waren (begin 17e eeuw) werd het poortgebouw opgesierd door twee wapens. We kunnen deze wijzigingen zien op de tekening uit omstreeks 1665 in het Ridderhofstedenboek.
Aan de zuidzijde, dus links van de poort, werd in de 16de eeuw nog een woonvleugel uitgebouwd. Deze woonvleugel dekte de oude buitenmuur af en is mogelijk zelfs in die tijd weggebroken. Deze woonvleugel had twee woonlagen, zoals we dat kunnen zien op de tekening van Hendrik de Winter uit 1743.

Uit de periode 1391 tot 1401 zijn er rentmeestersrekeningen bewaard gebleven, aan de hand waarvan we ons nog enigszins een beeld kunnen vormen van de gebouwen in die periode. In de eerste plaats het eerder genoemd gebouw aan de noordzijde, waar zich de zaal bevond. Dit gebouw was met leien gedekt. De muren waren aan de binnenzijde witgekalkt en in de zaal bevond zich een schouw, die deels gemetseld en deels in natuursteen gehouwen was. In 1400 wordt er op dit gebouw een 'koermast' (uitkijktoren) geplaatst, terwijl de eerder genoemde privaat pas in 1403 in één van de nieuwe vertrekken werd aangebracht, terwijl de zolder een houten vloer had.
Verder bevond zich binnen de elfhoekige muren van het kasteel een keuken. Deze was waarschijnlijk met vlechtwanden van wilgentenen opgetrokken, omdat er in rekeningen vermeld wordt, dat in 1400 de keuken met leem aangestreken wordt, terwijl het gedekt was met riet.

Op de zuidoosthoek bevond zich een toren met een vierkante romp van slechts 1,5 bij 1,5 m en een achtkantige bovenbouw. Het betrof waarschijnlijk een traptoren en was zeker niet middeleeuws. De toren was voorzien van venstertjes, een ui en overdekt met een driehoekig fronton. Het is heel goed mogelijk dat hij gebouwd werd in opdracht van de familie van Tenesse, nadat ze het huis hadden gekocht van Jacob van Barry.
De muren van Te Nesse waren voorzien van kantelen met daarachter een houten weergang. Er wordt namelijk gesproken van 'plancken op die cartelen daer men op gaet'. Uit de vermelding van 'hout daer t huus mede boven ghebarbecant is' wordt er vermoed, dat er een soort van schilddak was aangebracht vanaf de kantelen over de weergang. Met schotten konden waarschijnlijk de openingen tussen de kantelen worden afgesloten.
Uit de literatuur blijkt dat het kasteel verschillende keren verwoest is en dat er verbouwingen hebben plaatsgevonden. Zo zou het kasteel in 1419 zijn verwoest en niet lang na 1537 moet er een grootse verbouwing hebben plaats gevonden, in opdracht van Jan de Barry. We weten dit aan de hand van een vermelding na het afbranden van de kloosterkerk van IJsselstein in dat jaar, dat er bij de herbouw gebruik werd gemaakt van oude stenen afkomstig van het huis Te Nesse. Tegen het einde van de 16e eeuw werd het kasteel voor een deel verwoest door oorlogshandelingen, maar direct weer opgebouwd door Mr. Gijsbert van Tenesse.
Bewoners 1337 - 1345 Willem van de Nes/de Rover van Montfoort, getrouwd met Catharina van Wulven
1345 - 1356 Zweder van de Nes (zoon)
1356 - 1389 Jan Aalman van de Nes (oom)
1389 - 1410 rentmeesters van Woerden
1410 - 1453 Jan I van Gommengies/Goumigniez/Gourmengiez
1453 - 1494 Jan II van der Nesse van Commengies (zoon)
1494 Willem en Jan III van de Nesse van Gommengies (zoons)
1494 - 1500 Jacob van Barry
1500 - 1555 Jan van Barry (kleinzoon, zoon van Jacob van Barry)
1518 - 1555 Maarten Exalto (helft van leen)
1555 Pieter van Barry (zoon)
1555 - 1561 Jacob van Barry (broer)
1561 - 1574 Geertruida Dirksdr. te Amsterdam, getrouwd met Pieter Bikker Willems
1574 - 1592 Maria Gijsbersd. van Amsterdam (dochter), getrouwd met Willem Paulusz
1592 - 1614 Mr. Gijsbert van Tenesse te Haarlem (zoon)
1614 - 1640 Johanna van Duiveland (nicht), getrouwd met Dirk van der Nath
1640 - 1705 Leendert van der Nath (zoon), getrouwd met Liduina Sasbout
1705 - 1729 Jacob Lodewijk van der Nath (zoon)
1729 - 1756 Leonard graaf van der Nath (zoon)
1756 Staten van Holland en West-Friesland
Huidige doeleinden Achter de boerderij ter plaatse, bevindt zich rechts van de schuur nog het omgrachte kasteelterrein.
Opengesteld De boerderij en kasteelterrein zijn niet toegankelijk.
Foto's Luchtfoto van het kasteelterrein en boerderij in 1994 Gravure door Hendrik Spilman naar Jan de Beyer (ca 1750) Tekening van het huis in het Ridderhofstedenboek uit ca 1665
Tekening van het huis door L.P. Serrurier ca 1730 Plattegrond van de opgegraven funderingen
Bronnen Tekst: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, onder redactie van B. Olde Meierink, Utrecht, Uitgeverij Matrijs, 1995
Afb. 1: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, 1995
Foto 1: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, 1995
Afb. 3 t/m 5: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, 1995
Afb. 2: boek: Provincie Utrecht, 1966