Cammingha

Ligging Het kasteel Cammingha is gelegen aan de Camminghalaan in Bunnik, achter de hofstede De Beesde.

Cammingha aan de achterzijde

Andere benamingen De Beesde
Ontstaan De oudste vermelding van De Beesde dateert uit 1395.
Geschiedenis In 1395 wordt er in de archieven gesproken over 'Gherydts hofstede van Beessde'. Dit land of hofstede wordt genoemd als belending van andere goederen. Als nadere aanduiding wordt vermeld, dat het in de Lage Engh ligt, precies het gebied waar De Beesde ligt: tussen de Kromme Rijn en de provinciale weg. Deze Gerrit was mogelijk dezelfde als de Gelderse ridder Gerrit van Beest, die we in 1368 rond het plaatsje Beesd voorkomt. Daar leefde een familie Van Beesde, die in de 12e en 13e eeuw aldaar belangrijke functies vervulden.
De familienaam Van Beesde komen we al vanaf 1369 tegen in relatie tot Bunnik. In een akte uit dat jaar wordt melding gemaakt van Steven van Beesde, die gemachtigd is namens Bunnik en in 1377/1378 wordt Gher. van Beesde genoemd, die dan een achterstand heeft met de betaling 'van den hofgoede tot Bunnic'. In 1406 komen we een Jan van Beesde Hermansz tegen, die eigenaar is van een goed in Bunnik. Twintig jaar later komen dan weer een Gherijt van Beesde tegen in de rentmeestersrekeningen van het Sticht en daaruit wordt duidelijk dat hij in 1426 en 1427 een hofstede bij Bunnik bezat en waarschijnlijk is dit dan De Beesde. En tenslotte in dezelfde rekeningen van 1429/1430 komen we Jan van Beesde weer tegen. Jan is gehuwd met Janna van Jutfaes Florensdr en sterft in 1465.
De Gerrit van Beesde die in 1395 genoemd wordt in relatie tot De Beesde, wordt voor het laatst in 1409 genoemd, als hij getuige is bij een belening van een hoeve land in het kerspel Zeist aan Lijsbet Jans Koningsdr. Hij wordt opgevolgd door weer een Gerrit van Beesde, een zoon of kleinzoon van hem. Deze Gerrit trouwde met Lijsket Foyens. Dit blijkt uit een legger van het morgengeld van Nijendijk, een gehucht bij Cothen. Daaruit blijkt dat Lijsket Foyens, de vrouw van Gerrit van Beesde, daar 36 morgen in bezit had, die ze verkocht heeft. Gerrit sterft in 1448 en de opvolging is dan onduidelijk.

In de schatting van de Tieler- en Bommelerwaard komen we de volgende personen tegen: Herman van Beesde, Gerrit van Beesde en Jan van Beesde met een zoon Jan van Beesde. Dit is in 1434, maar hoe de familierelatie tussen deze personen is, is onduidelijk. In 1446 komen we dan betreffende een stuk land in Bunnik tegen: Jan van Beesde Gerritszoon, Jan van Beesde, Jan van Beesde Hermanszoon en Jan van Beesde Janszoon. Mogelijk is Jan van Beesde Gerritszoon kort daarna overleden en toen zijn vader in 1448 overleed, volgde Jan van Beesde Hermanszoon hem als meest naaste familielid op.
In 1441 wordt een Jan of Johan van Beesde met een stuk land beleend in Tull en 't Waal. Dit is de zoon van Jan van Beesde Hermanszoon en hij laat er een kasteeltje op bouwen, dat hij ook De Beesde noemt. Dit huis is voor 1609 al weer verwoest. Deze Jan van Beesde was met een Margriet getrouwd en had een zoon Laurent en misschien een tweede zoon Anthonis.
Het bijzondere is, dat we in Tignée, ten oosten van Luik in België, ook een Jan van Beesde tegen komen. Hij is daar getrouwd met een Margaretha of Margriet de Witte. Jan is afkomstig uit Utrecht en het echtpaar heeft vijf kinderen, waaronder een zoon Laurens. Na het overlijden van Margaretha in 1460 wordt Jan kanunnik van St. Jan en woont hij in een aan het klooster toebehorend huis. Of deze twee Jannen dezelfde persoon zijn, valt niet te bewijzen. Hoewel hij kanunnik is, volgt hij zijn vader in 1465 op en na zijn dood rond 1497 wordt hij hoogstwaarschijnlijk opgevolgd door zijn zoon Laurens.

Laurens trouwt met Anthonia Wouman van Lichtenberg en haar vader was eigenaar van het kasteel Plettenburg. Dat kasteel vererfde eerst op haar broer Folper, maar na diens kinderloos overlijden op de familie Van Beesde. Laurens sterft in 1522 en hij heeft drie dochters. Van deze drie dochters, volgde Margriet Laurensdr van Beesde hem waarschijnlijk op. Zij trouwt tussen 1522 en 1525 met Frederick de Voocht van Rijnevelt, die sinds 1514 eigenaar was van Blikkenburg. Door het bezit van dit kasteel heeft het echtpaar waarschijnlijk besloten kasteel De Beesde te verkopen. Deze verkoop moet voor 1535 hebben plaats gevonden.
Het kan dus ook heel goed, dat het kasteel al eerder verkocht is, dan zou het kasteel gekocht zijn door Johan van Driebergen, de vader van Cornelia van Abcoude van Driebergen, die later zal trouwen met Gerrit van Lockhorst, die in elk geval in 1535 eigenaar is.
De kans is overigens heel groot, dat kasteel De Beesde via de familie Van Driebergen in de familie Van Lockhorst gekomen is, omdat deze familie vrij veel landerijen in bezit had in en om Bunnik eind 15e / begin 16e eeuw.

In 1534/5 wordt door Gerrit Van Lockhorst een bezwaarbrief geschreven over de aanslag die hij heeft gekregen voor het betalen van huisgeld voor kasteel De Beesde. Deze bezwaarbrief luidt als volgt: 'Mijn here rentmeester, den brenger van dezen genoemt Joest Mathijs zoon, bruijckt van mijn een hofstede (genoemt die hofstede van Beest gelegen tot Bunnick) mit een hoefe lants daer thoe behorende. Ende alzoo die selfe altijt vrij geweest es van huijsgelt ende andere uutsettingen, enz'. Hieruit blijkt dat Gerrit niet zelf op het kasteel woont, maar deze verhuurd heeft aan een zekere Joest Matthijszoon. Gerrit woont op het kasteel Lockhorst bij Leusden.
De Beesde werd nooit erkend als ridderhofstad in 1536 of daarna. De oorzaak hiervan is mogelijk dat Gerrit van Lockhorst is al ingeschreven in ridderschap van Utrecht door zijn ridderhofstad Lockhorst en daarom was het niet noodzakelijk om dit voor De Beesde te doen. Wel komt het huis voor in een lijst van adellijke huizen, en wordt daarin als 'camer' aangeduid, wat in die tijd gebruikelijk was voor niet-ridderhofsteden.

Na de dood van Gerrit van Lockhorst wordt hij opgevolgd door zijn zoon Willem. Deze Willem blijft echter ongehuwd en als hij in 1564 sterft, vererft het huis op zijn broer Vincent. Vincent van Lockhorst trouwt met Anna van Schoonhoven en het echtpaar krijgt vier dochters. Na het overlijden van Vincent in 1595 vereft het kasteel op zijn derde dochter: Geertruida van Lockhorst. Geertruida trouwt met Nicolaas van Mathenesse en na haar dood rond 1645 besluiten haar nakomelingen De Beesde te verkopen.
Deze verkoping vindt op 4 augustus 1645 plaats door rentmeester Jacob van Sijpenesse in opdracht van Anna van Matenesse. Het huis wordt omschreven als 'de hofstede en het huis De Beesde met bouwhuis (= boerderij), bergen en schuren, grachten en singels, beplanting en bepoting etc. met 20 morgen land te Bunnik.'

De nieuwe eigenaar wordt Balthasar van Bueren. Door zijn huwelijk met Beatrix de Waal van Vronestein komt het kasteel weer in bezit van een nakomeling van de eerste eigenaars: de familie Van Beesde. Volgens Stooker, die het kasteel in de jaren zestig van de 20e eeuw restaureerde, vond er in het begin van de 17e eeuw een verbouwing plaats, waarbij het huidige trappenhuis werd gebouwd. Het lijkt meer voor de hand te liggen dat dit in opdracht van Balthasar werd uitgevoerd, nadat hij het kasteel gekocht had of niet lang na 1650, toen zijn zoon geboren was.
Balthasar en Beatrix woonden in elk geval een deel van het jaar op De Beesde. Dit blijkt onder andere uit het feit, dat hij jaarrekeningen van de Hervormde kerk in Bunnik ondertekende. Hoewel hij Rooms-Katholiek was, komt dit wel vaker voor.
Balthasar en Beatrix zijn al op leeftijd als ze trouwen en krijgen maar één zoon: Frederik Ignatius, die op 26 oktober 1650 gedoopt werd en hij is pas drie jaar als zijn moeder sterft. Hij trouwt in 1678 in Oud-Heusden met Charlotte juliana de Huter, erfvrouwe van Oud-Heusden, Elshout en Hulten en ook een nakomeling van de familie Van Beesde via haar grootmoeder Anna de Voocht van Rijnevelt. Frederik maakt in 1672 ook het rampjaar mee, maar het lijkt erop dat het kasteel en hofstede niet verwoest werd. De mogelijke oorzaak hiervan kan zijn dat de familie Rooms-Katholiek was.
Frederik Ignatius van Bueren krijgt in 1693 een zoon, Johan Frederik, die op De Beesde wordt geboren. Deze Johan Frederik sterft kinderloos en het kasteel vererft op een zus: Petronella Jacoba van Bueren. Deze Petronella trouwt met Wytze Watze van Cammingha, die ook eigenaar was van het slot Cammingha bij Ballum op Ameland. Door dit huwelijk verandert de naam van De Beesde in Cammingha.

Bij een taxatie in 1767 wordt de waarde van het huis, inclusief boerderij en 54 morgen grond geschat op f. 4000,-. Door de kinderen van het hierboven genoemde echtpaar wordt het kasteel in 1773 verkocht aan mr. Jan de Pesters, heer van Cattenbroek. Het huis blijft voor meer dan 100 jaar in deze familie. De erfdochter jonkvrouw Coenradina Carolina Theodora de Pesters erft in 1882 naast De Beesde, ook de Nijenhof, Cattenbroek en andere landerijen. Als in 1929 deze jonkvrouwe verongelukt, worden haar goederen door haar man verkocht aan mr. Frans Jan Hendik de Wetstein Pfister, die echter al in 1932 sterft. De Beesde vererft dan op zijn weduwe Caroline Elisabeth.
Caroline Elisabeth woonde niet op het kasteel, maar verhuurde het, tot ze het in 1958 verkocht aan mevrouw A.P. Peek-van Zijl. Het huis was ondertussen erg vervallen. Na een aantal jaren leegstand, werd het kasteel gelukkig in de jaren 1965-1966 gerestaureerd en in 1966 gekocht door dhr. B.G.W. Peek van zijn moeder. De heer Peek, met vrouw en kinderen, woonde tot zijn overlijden in november 2006 op Cammingha, waarna zijn zoon Hubertus C.A. Peek er vanaf 2008 met zijn gezin is gaan wonen.

Vermoedelijk is het kasteel oorspronkelijk als woontoren gebouwd tegen het einde van de 14e eeuw of het begin van de 15e eeuw. Deze toren had een rechthoekig grondplan met afmetingen van ca 7,3 m bij 10,3 m. Op kelderniveau zijn de muren ongeveer 1 m dik. De toren kent vier verdiepingen: een kelder, twee woonlagen en een zolder. De toren is voorzien van een zadeldak tussen twee tuitgevels. Waarschijnlijk lag de toren geheel in het water: aan één zijde de Kromme Rijn en aan drie zijden een gracht. Waarschijnlijk was de ingang met brug aan de westzijde. Aan de noordzijde loopt de fundering enkele meters door, waaruit het vermoeden bestaat dat het kasteel aan deze zijde groter is geweest.
In de 18e eeuw is door de Cammingha's aan de westzijde een westvleugel aangebouwd, met daarin een trappenhuis en een berging, terwijl de vleugel aan de noordzijde uit de 19e eeuw dateert.
Bewoners (1377) - ca 1408 Gerrit van Beesde
ca 1408 - 1448 Gerrit van Beesde (zoon of kleinzoon)
1448 - 1465 Jan van Beesde Hermansz (naast familielid)
1465 - ca 1497 Johan van Beesde Jansz (zoon)
ca 1497 - 1522 Laurens van Beesde Jansz (zoon)
1522 - ca 1535 Margaretha Laurensd van Beesde (dochter), getrouwd met Frederik de Voocht van Rynevelt
of:
- voor 1535 Johan van Driebergen
ca 1535 - 1548 Gerrit van Lockhorst (schoonzoon)
1548 - 1564 Willem van Lockhorst (zoon)
1564 - 1595 Vincent van Lockhorst (broer), getrouwd met Anna van Schoonhoven
1595 - 1645 Geertruida van Lockhorst (dochter), getrouwd met Nicolaas van Mathenesse
1645 - 1669 Balthasar van Bueren (koop), getrouwd met Beatrix de Wael van Vronestein
1669 - 1706 Frederik Ignatius van Bueren (zoon), getrouwd met Charlotte juliana de Huter
1706 - 1742 Johan Frederik van Bueren
1742 - 1767 Petronella Jacoba van Bueren (zus), getrouwd met Wytze Watze van Cammingha
1773 - 1797 Jan de Pesters, heer van Cattenbroek
1797 mr. Willem Nicolaas de Pesters
1882 - 1929 jonkvrouw Coenradina Carolina Theodora de Pesters
1929 - 1932 mr. Frans Jan Hendik de Wetstein Pfister
1932 - 1958 Caroline Elisabeth
1958 - 1966 mevrouw A.P. Peek-van Zijl
1966 - 2006 dhr. B.G.W. Peek
2008 dhr. H.C.A. Peek
Huidige doeleinden Het huis wordt bewoond door de familie Peek.
Opengesteld Het huis is niet toegankelijk.
Foto's Cammingha aan de voorzijde Cammingha aan de achterzijde Cammingha aan de voorzijde
Bronnen Tekst: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, onder redactie van B. Olde Meierink, Utrecht, Uitgeverij Matrijs, 1995
Henk Blok, Kasteel Cammingha en hofstede De Beesde in Bunnik, 2016, 87 blz.
Foto 2 en 3: uit eigen collectie
Foto 1 en 4: Peter van der Wielen